woensdag 1 april 2015


Burgerperspectieven


Afgelopen dinsdag  verscheen de 29e editie van het Continu Onderzoek Burgerperspectieven . Het is een onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Het onderzoek geeft een helder inzicht in de stemming in het land en wat de burger bezielt en beweegt. Het legt als het ware de zielenroerselen van de Nederlander weer. De bevindingen in het rapport zijn gebaseerd op enquêtes en interviews die sinds 2008 elke drie maanden gehouden worden. Het onderzoek wordt uitgevoerd voor het kabinet in opdracht van de Voorlichtingsdraad. Het gehele rapport is te downloaden op de site van het SCP.

Uit het bijgevoegde persbericht ontleen ik het volgende:

Nederlanders maken zich grote zorgen over de internationale politieke situatie.  Erg vreemd kan ik dit niet noemen.  40% van de Nederlanders is tamelijk of zeer bezorgd over de internationale politieke situatie (en 44% een beetje). Ouderen en mensen die het politieke nieuws intensief volgen, zijn vaker bezorgd. De zorgen hebben vooral betrekking op terrorisme (met name radicale islam en IS), op de ontwikkelingen in de Oekraïne en Rusland en op Griekenland en de Europese Unie. De ondervraagden ervaren de wereldorde als instabiel. Ze voelen onmacht, omdat men het idee heeft dat Nederland noch de EU noch de Verenigde Staten de macht heeft om de ontwikkelingen te keren.

Vanaf medio 2013 werden meer mensen van mening dat Nederland meer de goede dan de verkeerde kant op gaat, van 20% in juli 2013 naar 37% in januari 2014.Die stijging had waarschijnlijk vooral te maken met het positievere berichten over de economische situatie. In 2014 zwakt het optimisme weer wat af, naar 31% in januari 2015. Dat is lager dan een jaar geleden, maar nog steeds hoger dan in de periode 2008-2010.

Het politieke vertrouwen steeg gestaag sinds medio 2013 tot het vierde kwartaal van 2014, maar daalt dit kwartaal: het vertrouwen in de Tweede Kamer van 55% naar 51% en het vertrouwen in de regering van 54% naar 48%. Ook de tevredenheid met de Haagse politiek daalde (van 54% naar 47% voldoendes).De kloof tussen de politiek en de burger is er niet  minder op geworden.

De negatievere publieke opinie over de politiek correspondeert met de verandering in de tevredenheid met de economie. Na vijf kwartalen stijging daalt het aantal tevredenen met de economie dit kwartaal van 70% naar 65%. Het optimisme over de Nederlandse economie (en over de eigen financiën) is sinds eind 2013 relatief hoog. 76% verwacht nu dat de economie minstens gelijk blijft (in het derde kwartaal van 2014 77%, in het vierde kwartaal 72%). Hogeropgeleiden zijn aanzienlijk optimistischer over de economie dan lageropgeleiden.

Volgens de publieke opinie verdient gezondheids- en ouderenzorg de meeste aandacht van de Haagse politiek . Ook bij de belangrijkste maatschappelijke problemen staat de zorg op een gedeelde eerste plaats (naast kwesties van samenleven). Men maakt zich vooral zorgen over de zorgkosten, de bezuinigingen en de veranderingen in het zorgstelsel. De decentralisaties in de zorg worden zelden spontaan genoemd als probleem. Bij navraag blijken ze wel vaak gezien te worden als manifestatie van negatieve ontwikkelingen in de zorg (bezuinigingen).

Net als andere Europeanen hebben Nederlanders meer vertrouwen in regionale en lokale instellingen dan in de nationale regering. Nederlanders voelen echter weinig binding met hun woonplaats. Wordt gevraagd naar hun tevredenheid met het lokale bestuur, dan is het gemiddelde rapportcijfer hoger (6,2) dan wanneer wordt gevraagd naar de lokale politiek (5,8), maar ook dat cijfer is wel duidelijk beter dan voor de politiek in Den Haag (5,0) en in Europa (4,6).

“Het lijkt alsof ik een pessimist ben, maar dat valt wel mee. Tot op heden wordt er veel voor ouderen en zieken gedaan, maar mijn angst is hoe zal het verder gaan?”  merkt een vrouw van 80 met een mulo-opleiding op.

Volgens mij verwoordt zij perfect wat heel veel ouderen voelen.


Voor reactie wphvanosch@onsbrabantnet.nl of bel 0653627185

dinsdag 31 maart 2015



Solidair en informeel



Vorige week stond in het ED een opiniestuk van het Pon over het meebeslissen van burgers in bestuurlijke aangelegenheden. Het PON beschrijft zichzelf als is een instituut dat toepasbare kennis heeft en geeft op het sociale en culturele domein. Centraal bij het Pon staat het burgerperspectief. Wat beweegt de burgers in al hun gedaanten en hoe vertaalt zich dat in effectief beleid? Beleid dat gericht is op een sociaal duurzame samenleving. Het PON verkent, inspireert, ontwikkelt, valideert, ontplooit ideeën en toetst ook of het werkt. We combineren de kennis die we opdoen in de (Brabantse) praktijk met kennis uit wetenschappelijk onderzoek. De kennis van burgers vertalen we in een handelingsperspectief voor bestuurders en beleidsmakers van overheden en maatschappelijke organisaties. Directe aanleiding voor het stuk waren de onlangs gehouden Provinciale verkiezingen en de coalitiebesprekingen die van start zijn gegaan onder leiding van Gerrit-Jan Swinkels, de voorzitter van de Sociaal Economische Raad Brabant.
Het stuk viel mij op omdat er in het artikel een karakteristiek van de Brabander  werd geschetst die bij nader inzien belangrijker is dan op het eerste gezicht lijkt. Ik geef eerst de bewuste passage weer. Onder de kop “Belangrijke waarden”  schrijven Jeannette den Hartog en Marianne van Bommel:
“ Hoewel we als Brabanders veel verschillen - er bestaat geen echte Brabander - zijn we snel solidair, trots op onze provincie en willen we ons binnen Nederland als positief en informeel laten gelden, aldus een deelnemer aan een van onze onderzoeken. Brabanders hebben een duidelijk beeld van de waarden die van belang zijn voor een toekomstbestendige provincie. Solidair en informeel, dat is wat mensen belangrijke waarden vinden voor het Brabant van de toekomst. Maar ook ondernemend, met meer oog voor de kwaliteit van bestaan dan voor materieel succes. Economische belangen moeten de te nemen beslissingen minder domineren. De meeste mensen zijn van mening dat milieubelangen vóór economische belangen gaan. In de afweging tussen sociale en milieu-belangen gaan de sociale belangen echter voor. Ook tegenover het economisch belang zouden sociale belangen zwaarder moeten tellen.”
Mij gaat het vooral om de zin “ Solidair en informeel, dat is wat mensen belangrijke waarden vinden voor het Brabant van de toekomst. ” Niemand zal ontkennen dat dit geen belangrijke waarden zijn in het maatschappelijk en intermenselijke verkeer. Brabanders zijn bereid elkaar te voort te helpen, zullen hun vrienden nooit afvallen; zij hoeven niet zo nodig in de schijnwerpers te staan, ja, ze handelen zelfs zo onopvallend mogelijk. In de privésfeer werkt dit goed.
Er zitten echter ook schaduwkanten aan die minder positief uitvallen zoals we in Laarbeek  tot onze schade en schande hebben moeten ervaren. Als solidair en informeel handelen het bestuurlijke gedrag gaat bepalen,gaat het in heel veel gevallen onherroepelijk fout. Aan de recente gebeurtenissen in Laarbeek kunnen we dat heel duidelijk zien. Hier was een college heel solidair met elkaar, zo solidair dat de bestuurders elkaar in alle gevallen dekten en niets onwelgevalligs naar buiten lieten komen. In het college werd kennelijk steeds meer informeel gehandeld. Tot de bom barstte, omdat een lid van het college zich gepiepeld voelde en wraak had gezworen. Die kans kreeg hij vrij snel, omdat zijn tegenspeler zelf ook in fout ging.
Solidair en informeel klinkt mooi. Het is dat ook. Echter alleen tot  het moment dat het gebruikt wordt om zaken toe te dekken. Dan gaat het fout en goed fout ook, zoals het Laarbeekse geval bewijst.

Voor reactie wphvanosch@onsbrabantnet.nl of bel 0653627185

maandag 30 maart 2015



Dubbele integriteit


Oud-burgemeester Hans Ubachs heeft vorige week in De MooiLaarbeekkrant een open brief aan de inwoners van Laarbeek geschreven. Hierin bedankt hij de inwoners van Laarbeek voor de mooie en warme herinneringen en momenten en voor de vele steunbetuigingen die hij heeft mogen ontvangen. Met deze brief neemt hij definitief  afscheid van de gemeente Laarbeek, op een waardige en beheerste manier.

Achter de woorden in de brief gaat heel wat persoonlijk leed schuil. Het burgemeesterschap van Laarbeek heeft hem niet gebracht wat hij ervan verwacht heeft. Feitelijk is het geëindigd in een deceptie. Hopelijk beschikt hij over de veerkracht om zich hierover heen te zetten.

Zijn vertrek uit Laarbeek heeft diepe sporen achter gelaten. Met zijn woorden in de raadsvergadering van 19 maart,waarin hij voor het eerst in de openbaarheid zijn visie op de ontwikkelingen uiteenzette, heeft hij in ieder geval de discussie over integriteit en integer handelen op de agenda geplaatst. Deze discussie galmt nog steeds na en komt op de meest onverwachte momenten deze steeds weer aan de oppervlakte. Zoals b.v. afgelopen zaterdag 28 maart in de rubriek “ Beste lezer ” van het hoofd opinie van het ED, Chris Paulussen.

Paulussen gebruikte de “dubbele integriteit ”, een voor mij nieuwe benaming. Bij nadere beschouwing bleek het een andere naam te zijn voor een aloude waarheid die zegt dat je zelf zuiver tot op de graat moet zijn. Aan eisen die je aan anderen stelt, moet je  natuurlijk in de eerste plaats ook zelf voldoen. Paulussen gebruikt het begrip dubbele integriteit om aan te tonen dat de beweegredenen van iemand die de integriteit van een ander ter discussie stelt bij nader inzien niet altijd zo nobel zijn als hij doet voorkomen. Hij voert hierbij minister Edith Schippers die een complet vermoedde achter de “bonnetjesaffaire ”van Opstelten en Teeven. Volgens Paulussen moet je er altijd op bedacht zijn dat iemand die een  verwijzing naar die de dubbele integriteit gebruikt, zelf ook een dubbele agenda kan hebben. Als journalist moet je dan op je qui vive zijn.

In zijn column verwijst Paulussen ook naar Laarbeek op om zijn stelling te onderbouwen. Hierbij gaat hij wel wat kort door de bocht en draait hij m.i. zaken om en beroept hij zich – zonder dit overigens met name te noemen – op het ode adagium “ wie zonder zonde is, werpe de eerste steen ”  Het citaat in zijn rubriek waarop ik doel is:

“ In Laarbeek had de burgemeester een integriteitsprobleem. Later bleek dat degenen die de kwestie hadden aangekaart ook niet helemaal 'zuiver op de graat' waren. Dat laat onverlet dat de burgemeester fouten had gemaakt en daarmee zijn opponenten de stok had aangereikt om hem te slaan.”

Mijn perceptie is een ietwat andere.


Voor reactie wphvanosch@onsbrabantnet.nl of bel 0653627185

zondag 29 maart 2015

Voorstellen voor een minimabeleid



Na de algemene verkenning  van het minimabeleid in de twee vorige afleveringen van deze weblog besteed ik vandaag aandacht aan de specifieke voorstellen van het college over het Laarbeekse minimabeleid zoals deze vervat zijn in de notitie Visievorming over de uitgangspunten van voor het minimabeleid van de gemeente Laarbeek. De notitie staat op de site van de gemeente Laarbeek  ( Zie: http://bit.ly/1Bff7FR ). De aflevering van vandaag heeft derhalve een afsluitend karakter.

Voor mij wordt het steeds duidelijker dat een gemeente van een omvang zoals Laarbeek eigenlijk niet meer in staat is om een eigen minimabeleid vorm te geven. Bovendien is het aan burgers niet meer uit te leggen, waarom het minimabeleid per gemeente verschilt. Het argument dat gemeenten gebruiken om dit te rechtvaardigen is meestal het argument dat gemeenten de mogelijkheid hebben om eigen accenten te zetten. Dit gaat echter maar zeer ten dele op. Verder dan handelen in de marge kunnen gemeenten niet meer komen. Rechtvaardigt dit het volharden in een eigen minimabeleid? Ik denk van niet. Het ware beter om het minimabeleid in een breder kader gestalte geven. Bij voorbeeld uniform voor alle Peelgemeenten. Helmond,Deurne en Gemert-Bakel zijn al zover. Laarbeek wil nog niet zover gaan. Ik vind dit een gemiste kans. Verschillen tussen gemeenten in dezelfde regio moeten wij niet willen. Overigens is het een illusie dat gemeenten zoveel beleidsvrijheid op dit punt hebben dat zij verschil kunnen maken. Verschillen zijn maar heel marginaal. Op dit punt moeten gemeenten zelfs niet met elkaar willen concurreren.

In de notitie staat een onderbouwing van de visie op het minimabeleid. Het is een zeer korte onderbouwing geworden. Uitgangspunt voor de gemeente is zelfredzaamheid. Deze is steeds meer een uitgangspunt in onze huidige samenleving geworden. Letterlijk schrijft de gemeente:

“ Mensen dienen zoveel mogelijk zaken rondom werk, inkomen en zorg zelf te regelen. Als er geen andere mogelijkheden zijn, kan iemand een beroep doen op ondersteunende maatregelen van de gemeente. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat inwoners altijd en onder alle omstandigheden zelf in staat worden geacht om invulling te kunnen geven aan hun leven en meer bijzonder op de genoemde drie gebieden van werk, inkomen en zorg.”

Natuurlijk, iedereen heeft een zekere mate van zelfredzaamheid nodig. Het is echter iets te gemakkelijk om hiermee de problematiek af te doen. Zelfredzaamheid is immers het gevolg van het individualiseringsproces dat greep heeft gekregen op de maatschappelijke ordening en is de beschaafde vertaling van het principe “het ieder voor zich zelf ”. Als zodanig is het een uitvloeisel van de neo-liberale maatschappij. Vanuit het CDA- gedachtegoed stel ik hier zorg voor de zwakken en naastenhulp  tegenover. Voor ons telt iedereen mee ; sociaal gedrag is voor ons belangrijker dan het beschikken over voldoende zelfredzaamheid. Dit focust teveel op eigenbelang. Dit element missen wij in  de notitie. Van een wethouder uit de linkse hoek hadden wij een socialere insteek verwacht. Jammer en een gemiste kans.

Vervolgens wordt opgemerkt dat niet alle inwoners over deze vaardigheid beschikken. Het doel van het minimabeleid moet daarom gericht zijn op het garanderen vaneen bestaansminimum. Mensen mogen namelijk niet verstoken blijven van primaire levensbehoeften, omdat dit tot een blijvende onoverzichtelijke situatie zal leiden. Doel van het verstrekken van bepaalde voorzieningen is immers om mensen een goede start te bieden om zichzelf te kunnen ontplooien en een plaats te kunnen krijgen in de samenleving. Hierdoor zullen mensen ook in staat zijn om weer bij te dragen aan diezelfde samenleving. Dit is ongetwijfeld waar, maar is het ook vaak niet zo men een duwtje in de rug nodig heeft omdat de “ start ” onderbroken is?

Als speciaal speerpunt wordt in de notitie het bevorderen van de participatie van jeugd in Laarbeek benoemd. “Participatie” moet zich volgens de gemeente enerzijds richten  op een doorlopende lijn vanaf school naar werk, maar heeft anderzijds ook tot doel om de deelname aan lokaal georganiseerd verenigingsverband te bevorderen. Een echte onderbouwing van deze keuze wordt echter niet gegeven.

Veel ruimte wordt in de notitie besteed aan de twee draagkrachtberekeningsmodellen en het vrij te laten eigen vermogen. Als mensen bijzondere bijstand aanvragen, beoordelen consulenten of mensen de kosten geheel of gedeeltelijk zelf kunnen betalen op basis van draagkracht in beschikbaar inkomen en vermogen. Er bestaan twee opties om de draagkracht in het inkomen van aanvragers te berekenen. Bij beide opties is het uitgangspunt dat de gemeente van aanvragers een grotere eigen financiële inbreng verwacht als zij een hoger inkomen en/of meer eigen vermogen hebben. De eerste optie gaat ervan uit dat boven een inkomen ter hoogte van 110% van de toepasselijke bijstandsnorm draagkracht aanwezig wordt geacht. In de tweede optie wordt pas uitgegaan van draagkracht in het inkomen boven 120% van de toepasselijke bijstandsnorm.

Het college van burgemeester en wethouders kiest in de notitie als grens het  inkomen 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, zoals dat ook in Helmond gehanteerd wordt. Het argument voor deze keuze van het college is uiterst patriarchaal en bevoogdend: er moet een (financiële) prikkel moet blijven bestaan om te gaan werken. Ook degenen die niet meer in staat zijn om te werken? Zij worden de dupe van deze keuze, temeer daar dit college afstapt van de bestaande grens van 115%.

In feite is elke grens arbitrair. Ook wij voelen wel iets voor het verlagen van de grens naar 110%, maar dan wel met het juiste argument: er moet bezuinigd worden, want de bomen groeien niet meer tot in de hemel. Iedereen moet hierbij zijn steentje aan bijdragen, ook de zwakkeren.

Met betrekking tot de overwaarde van de woning stelt het college voor deze overwaarde te betrekken bij de draagkrachtberekening. Helemaal zeker is het college blijkbaar niet want ze wil nog bezien of dit wel haalbaar is. Wij vinden dat dit eerst uitgezocht moet worden.

Tot slot de voorstellen voor de inzet van de Klijnsma gelden. Hier is niets mis mee. Alleen is het weer vreemd dat het college bij de besteding van deze gelden weer gaat rekenen met het draagkrachtbeginsel van 120%. Je gelooft je eigen ogen niet als je dit leest. Op het eind van het stuk vraagt het college naar suggesties van de commissie. Deze liggen m.i. nogal voor de hand, als je het speerpunt van het college voor ogen haalt.


Voor reactie wphvanosch@onsbrabantnet.nl of bel 0653627185

woensdag 25 maart 2015

Zorg


De zorg, of beter gezegd de veranderingen in de zorg, blijven de gemoederen bezig houden. Bijna dagelijks verschijnen er alarmerende berichten in de media over tekortkomingen in  der uitvoering. Staatssecretaris van Rijn moet voortdurend Naar de Kamer om bezwerende woorden te spreken. Iedere keer weer opnieuw moet hij zijn toezeggingen bijstellen.

Ik kan natuurlijk niet beoordelen of het inderdaad zo slecht gaat als in de pers wordt voorgesteld. In de Laarbeekse omgeving hoor ik ze tot op heden in ieder geval niet. Wel zijn er veel klachten over d e slechte bereikbaarheid van de uitvoeringsorganisatie Peel 6.1 en is er bij de mensen veel onduidelijkheid over de doorgevoerde wijzigingen.

Heel goed is daarom het initiatief van de Katholieke Bond van Ouderen  Lieshout om een voorlichtingsmiddag te beleggen over de veranderingen in  de zorg. ER was afgelopen dinsdagmiddag een grote opkomst. De uiteenzetting van de heer Geerts over de veranderingen in de zorg was helder,duidelijk en voor de meeste aanwezigen zeer begrijpelijk. Ook de toelichting vanuit de gemeente van Rianne Schwillens mocht er zijn. Al met al was het een bijeenkomst waarop de organisatoren met voldoening kunnen terugzien.

Net toen ik dit stukje klaar had, viel de NRC in de bus. Twee artikelen vielen mij op. Er was een redactioneel commentaar over mantelzorg. Dit naar aanleiding van een publicatie van het Sociaal en Cultureel Planbureau over  “. Concurrentie tussen mantelzorg en betaald werk ” Het SCP kwam met verontrustende cijfers over ziekteverzuim van mantelzorgers. In het commentaar trof mij voor dat het NRC opmerkte dat mantelzorg en keukentafel gesprek een zekere mate van huiselijkheid suggereert, die de werkelijkheid geweld aandoet. Ik voel dit ook zo. Deze benamingen ontkennen de harde werkelijkheid dat mantelzorg en keukentafelgesprek voor gemeenten van essentieel belang zijn, was het alleen maar om inzicht te krijgen in de noodzakelijke zorg die burgers nodig hebben.

Het tweede artikel in de NRC dt mij trof was een groot artikel over de stappen die burgers moeten zetten om zorg te krijgen. “Een systeem dat zelf ziek ” had de NRC er boven gezet. Via deze link http://bit.ly/1CYX24Y kunt u het lezen.
   
Voor reactie wphvanosch@onsbrabantnet.nl of bel 0653627185


dinsdag 24 maart 2015



 

Minimabeleid (vervolg)


Uit de meest recente Armoedemonitor van het CBS blijkt dat sinds 2011 de armoede in Nederland in snel tempo toeneemt. In 2010 had 7,4% van de huishouden een inkomen onder de lage inkomensgrens. In 2012 was dat 9,4%. Volgens ramingen van het CBS ligt dat percentage voor 2014 rond de 10%. Het Rijk heeft om deze reden extra geld beschikbaar gesteld om voor deze groep de gevolgen van de crisis en bezuinigingen te verzachten.

Kinderen vormen een belangrijke doelgroep van het armoedebeleid. Kinderombudsman Marc Dullaert stelde in 2013 naar aanleiding van onderzoek dat er meer aandacht moet komen om kinderen mee te laten doen. In Nederland leeft één op de negen kinderen in armoede. Kinderen die opgroeien in arme gezinnen worden dagelijks met geldgebrek geconfronteerd. Zij hebben een slechtere start en hun kansen voor de langere termijn worden bedreigd. Ze lopen een groter risico om ook als volwassene arm en sociaal uitgesloten te zijn. Daarom zou de gemeente de nadruk moeten leggen op het minimabeleid  voor kinderen. Zij moeten  voldoende mogelijkheden om te kunnen  participeren krijgen.

Omdat armoede niet alleen te maken heeft met te weinig geld, moet de bestrijding van armoede in zijn volle breedte  worden aangepakt. Hierbij denken wij aan:

Activering naar werk
Werk is nog steeds de snelste weg uit de armoede. Werk geeft perspectief en biedt meer mogelijkheden om mee te doen in de samenleving. Inwoners van Laarbeek in een armoedesituatie worden gestimuleerd om te gaan werken en zelf iets te doen aan hun situatie. De gemeente moet hen hierbij zoveel mogelijk aan op hun eigen kracht aanspreken. Met re-integratie-instrumenten kunnen werkzoekenden hierbij geholpen worden. Burgers die (nog) niet in staat zijn om te werken vragen we om op een andere manier te participeren, vrijwillig of in de vorm van een tegenprestatie.

Schuldpreventie
De gemeente doet al veel om te voorkomen dat mensen hoge schulden maken en daardoor in de problemen komen. Wanneer schulden  voorkomen kunnen worden, betekent dat grotere financiële zelfstandigheid van burgers en lagere kosten voor de samenleving. De nadruk zal hierin moeten liggen op preventie.

Verbinding met het Sociale wijkteam
De leden van het Sociale wijkteam zijn de ogen en de oren van de gemeente in de wijk. Hier worden signalen opgepikt uit de wijk en mensen gestimuleerd om deel te nemen aan de samenleving. In het contact met bewoners zullen de medewerkers bekendheid geven aan het minimabeleid en mensen wijzen op mogelijke deelname.

Samenwerking met maatschappelijke organisaties
Er zijn steeds meer maatschappelijke organisaties die actief zijn op het gebied van armoedebestrijding en schuldhulpverlening. Deze organisaties werken vaak met vrijwilligers. Met gemeentelijke subsidie kunnen deze organisaties andere fondsen verwerven voor hun activiteiten.

Samenhang met andere beleidsterreinen
Armoede is een complex probleem dat te maken heeft met inkomen, meedoen in de maatschappij, gezondheid, opleidingsniveau, zelfredzaamheid, woon- en leefomgeving. Daarom is het minimabeleid zo ingericht dat het ondersteunend is aan de doelstellingen van andere beleidsterreinen, zoals WMO, jeugd, sport en gezondheid.

Door het stimuleren van sport en bewegen verbeteren we de leefstijl van minima en verminderen we gezondheidsachterstanden. Door de deelname van kinderen en jongeren tot 18 jaar aan sportieve en culturele activiteiten te stimuleren, dragen we bij aan de doelstellingen van ons jeugdbeleid. We vergroten de participatie en daarmee de ontwikkelingskansen van jongeren, een van de pijlers van het jeugdbeleid. In het kader van ons preventief gezondheidsbeleid is het belangrijk dat kinderen en jongeren van jongs af aan leren om gezonde keuzes te maken, zodat ze zich ontwikkelen tot volwassenen die zelf verantwoordelijkheid nemen voor een gezonde leefstijl. Hiermee kunnen problemen zoals overgewicht in de toekomst voorkomen worden. Met het uitbreiden van de doelgroep van het minimabeleid, bereiken we dat meer mensen zullen worden aangemoedigd om te sporten en te bewegen (verhogen sportparticipatie).

Door de nadruk te leggen op (het stimuleren van) maatschappelijke participatie draagt het Minimabeleid bij aan het belangrijkste uitgangspunt van het WMO-beleid, namelijk inwoners te ondersteunen om zoveel mogelijk op eigen kracht te participeren in de samenleving. Inwoners die het tijdelijk, langer durend of structureel niet op eigen kracht redden, kunnen op ondersteuning rekenen.

Centraal binnen het minimabeleid staat “meedoen”. Minimabeleid is er op gericht dat inwoners, en met name kinderen, mee kunnen blijven doen en deel kunnen nemen aan het maatschappelijke leven. In het huidige minimabeleid wordt in veel gevallen aan symptoombestrijding gedaan. Inwoners met een laag inkomen worden door middel van bijdragen/voorzieningen op hun inkomen aangevuld, zodat zij daarmee kosten van bijvoorbeeld abonnementen en contributies kunnen voldoen. Zeker waar het gaat om abonnementen voor krant en internet is weinig sprake van meedoen of meetellen, althans niet in de zin van participeren.

Het nieuwe minimabeleid is bij voorkeur minder inkomensondersteunend en draagt er aan bij dat inwoners met een laag inkomen kunnen meedoen, én worden geprikkeld om mee te doen, aan maatschappelijke activiteiten.
Mensen die (financiële) ondersteuning nodig hebben, kunnen blijven rekenen op passende ondersteuning: meer dan nu wordt in de toekomst uitgegaan van maatwerk. Maatwerk met als doel een meer op de persoon en situatie toegespitste oplossing.
  
In het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet werk en bijstand (wijzigingen per 1 juli 2014) was opgenomen dat het college verplicht zou worden om uitkeringsgerechtigden onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te laten verrichten. Deze tegenprestatie staat los van de re-integratieverplichting, hoewel dit er wel aan kan bijdragen dat iemand sneller uitstroomt. Inmiddels is de verplichting uit het wetsvoorstel geschrapt. Niettemin zullen wij de tegenprestatie wel bevorderen, zij het dat we dit via “verleiding” willen doen. Door aan het uitvoeren van de tegenprestatie bepaalde voordelen (bijvoorbeeld kortingen op culturele activiteiten) te koppelen, ontstaat een dubbel voordelig effect: - mensen zijn gemotiveerder om de verplichte tegenprestatie uit te voeren, en - mensen gaan door zowel de tegenprestatie als de activerende voordelen meer participeren.

Bij het koppelen van de tegenprestatie aan het minimabeleid moet wel rekening gehouden worden met de eisen die aan de prestatie gesteld kunnen worden. Het moeten namelijk werkzaamheden zijn die door belanghebbenden naar vermogen verricht moeten kunnen worden, waarbij de omvang en de duur beperkt moeten zijn. De werkzaamheden zijn bovendien afhankelijk van de specifieke situatie van belanghebbende en de lokale situatie.

Voor reactie wphvanosch@onsbrabantnet.nl of bel 0653627185


maandag 23 maart 2015



Minimabeleid.


De agenda’s voor de commissievergaderingen staan op de site van  de gemeente. Nog niet alle stukken zijn klaar; deze zullen eerstdaags als aanvulling op de site 
worden geplaatst.

Voor de commissie Sociaal Domein zijn twee onderwerpen opgevoerd die nauw met elkaar samenhangen, maar desondanks toch als afzonderlijk agendapunt worden geagendeerd. Het betreft de visievorming over de uitgangspunten van het Minimabeleid  en de opiniërende bespreking van de verordening Tegenprestaties. De stukken voor dit agendapunt zijn nog niet klaar. Eigenlijk zijn deze beide onderwerpen inhoudelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het is dus op zijn minst vreemd dat ze gesplitst worden in twee afzonderlijke agendapunten. Dit is niet bevorderlijk voor de noodzakelijke eenheid van beleid.

Voor de visievorming over de uitgangspunten van het Minimabeleid van de gemeente Laarbeek heeft het college een notitie opgesteld. Ik ben niet zo erg kapot van deze notitie. Sterker nog, ik vind het een slecht stuk.  Allereerst omdat het een rommelige notitie is die eenheid en samenhang ontbeert. Dit is op zich al erg genoeg. Erger is nog dat het college er niet in slaagt een coherente visie op het minimabeleid in Laarbeek te ontwikkelen. Als je deze notitie vergelijkt met soortgelijke recente notities van andere gemeente dan zie je dat het Laarbeekse college het vooral ontbreekt aan  visie. Het college is klaarblijkelijk niet in staat om zijn uitgangspunten voor het minimabeleid ordentelijk te formuleren. Hierdoor maakt  het college  het de commissie en raad niet gemakkelijk.

De commissie en de raad zullen dus zelf de aanzet voor de visievorming moeten geven.  Hierbij kan de commissie de notitie het beste maar ter zijde leggen  en zelf in eerste instantie de opvattingen van de commissie en raad over het minimabeleid zelf gaan formuleren. De noodzakelijke aanpassing van het minimabeleid volgt dan als het ware  vanzelf uit de keuze van de uitgangspunten.

Het CDA gaat uit van het adagium “Iedereen doet mee ”. Het CDA heeft voor dit uitgangspunt gekozen vanuit de overtuiging dat elk individu telt. Hulp aan de zwakkeren en naastenliefde zijn wezenlijke elementen uit de CDA-filosofie. De zwakkeren  zijn een niet weg te denken onderdeel van  de christelijke cultuur die nauw verbonden is met de eeuwenoude joodse traditie, waaruit het christendom ontsproten en het Europese continent gevormd is. De ontwikkeling van het moderne individualisme heeft in de Europese cultuur andere accenten geplaatst en een andersoortige ontwikkeling ingeluid. De christelijke deugden van hulp aan de zwakkeren en naastenliefde zijn nooit helemaal verdwenen. Deze deugden moeten wij koesteren en dus vorm geven in ons minimabeleid .


Voor reactie wphvanosch@onsbrabantnet.nl of bel 0653627185